
Het begon allemaal in 2018. Niet met een project. Niet met een idee voor een serie of een artistieke ambitie. Met een gesprek.
Een gemoedelijk praatje op straat met iemand die de meeste mensen liever mijden. Geen speciale techniek, geen woorden. Gewoon zitten, praten, er zijn.
Dat was het moment dat alles veranderde.
Nog voordat ik mijn camera tevoorschijn haal, is er altijd wel een man of een vrouw. Een verhaal. Een waardigheid die de straten niet helemaal hebben kunnen uitwissen. Mijn rol is niet om ellende te documenteren, maar om te laten zien wat er overblijft als al het andere verdwenen is. En er blijft altijd iets immens over.
Wat ik nooit zal vergeten zijn de tranen van vreugde. Wanneer ik ze hun foto op het scherm laat zien. Wanneer ze zichzelf zien – echt zichzelf zien – misschien wel voor het eerst in lange tijd. Niet als onzichtbaar, niet als een probleem. Maar als iemand.
Daarom ga ik door. Niet voor de tentoonstellingen, niet voor de prijzen. Maar voor die tranen.